dr. Jan Brouwer, Tien Stolpersteine in Elst (O-B)


In Elst zijn in 2022 en 2023 Stolpersteine geplaatst in de Rijksweg Noord en de Dorpsstraat. In totaal tien ter herdenking van in hun tijd alom bekende en geachte Joodse Elstenaren.



Familie Felix Abraham Bachrach, Dorpsstraat 7















In Elst waren uiteraard de Joodse ingezetenen algemeen bekend en geacht. NSB-burgemeester van 5 december 1942 tot 5 september 1944 dr. N. W. Bruynis uit Arnhem kon ze echter ook in de gaten laten houden. Zijn voorganger, burgemeester W. Th. de Leeuw (1892-1944), was op 22 juli 1942 weggevoerd als gijzelaar naar kamp Vught en afgezet als burgemeester omdat hij weigerde deel te nemen aan het laten weghalen van Joden. Bruynis liet opsporing, aanhouding en voorgeleiding van Joden in Elst verzoeken als hij hen ervan verdacht van woonplaats te zijn veranderd zonder daartoe de vereiste vergunning te hebben. Met deze omschrijving duidde hij Joden aan die waren ondergedoken, zoals op 26 november 1942 Felix Abraham Bachrach en zijn vrouw. Jacob Nico dook in 1942 onder op het adres Vlak 7 bij de Nieuwe Haven in Dordrecht. Op 25 oktober 1943 werd hij na verraad gearresteerd en op 16 november 1943 naar Kamp Westerbork getransporteerd.  Drie dagen later werden zijn ouders en  zuster in Auschwitz vermoord.


Twee zussen van Felix Abraham werden met hun gezinnen vermoord in Sobibor. Helena Duijfken Cohen - Bachrach (Elst, 18 april 1887 -  Sobibor, 28 mei 1943) was op 26 augustus 1919 gehuwd met godsdienstleraar Josef Cohen  (Uden, 9 januari 1892 – Sobibor, 28 mei 1943). Hij woonde in Zutphen, had gevangen gezeten in Kamp Westerbork en was op 25 mei 1943 getransporteerd naar Sobibor. Sara Regina Neumann – Bachrach (Elst, 17 oktober 1889 – Sobibor, 16 juli 1943) was gehuwd met Herman Friedrich Neumann (Frankfurt am Main, 30 mei 1889) – Sobibor, 16 juli 1943) en woonde eveneens in Zutphen. Ook hun dochter Johanna (12 oktober 1924) en zoon Erich Emil Moritz (Frankfurt am Main, 26 februari 1926) werden op 16 juli 1943 in Sobibor vergast omdat ze Jood waren.


Emile trouwde met Saaktje (of Celien) de Metz (Almelo, 9 november 1900 – Arnhem, 6 maart 1981). Het echtpaar kreeg vier kinderen:  Johanna (Hanny)  (Elst, 9 februari 1928 – Ashkelon, Israël, 19 december 2001); Mozes Julius (Jupiter) (Elst, 15 februari 1929 – Herzliya, Israël, 23 juni 2018); Jacob Schlicher (Elst, 26 oktober 1930 – Arnhem, 3 november 1930) en Felix Elie (Elst, 14 juli 1935 – Amsterdam, 31 december 1973). Het gezin dook in 1942 onder in buurschap De Laar ten noorden van Elst, aanvankelijk bij de familie Bierman in boerderij De Schutgraaf, Grote Molenstraat 74, en later bij familie Van den Broek aan het einde van de Kroonse Wal in de buurt onder Elden (een bekend en veilig onderduikadres). Emile zette de zaak na de oorlog tot 1970 voort met zijn kinderen Jupiter en Hanny gehuwd met Arthur Vomberg (1925 – Jeruzalem, 16 juli 2009). Tot die naar Israël vertrokken. Felix Elie had een juwelierszaak in Amsterdam.













Fam. Bachrach, winkelpand, eind 1944.



David Abraham  Drielsma, Dorpsstraat 36















Eind  december 1942 waren moeder Esther en dochter Clara in Nijmegen ondergedoken. Tot die tijd had Clara als waarnemend hoofd van de Joodse School een Sperre, een document dat haar tijdelijke vrijstelling van deportatie verschafte.  Onderduikadressen waren in de Tooropstraat (Kersten), de Berg en Dalseweg (Van de Ploeg) en het langst bij kapper Bongaards, Lage Markt 45. Esther leed aan diabetes, waarvoor zij ook tijdens het onderduiken van haar huisarts een tijdlang gratis medicijnen kreeg, en had tijdens de onderduik enkele lichte hartaanvallen gehad. Het ging steeds slechter met haar gezondheid. Bij de laatste hartaanval verloor zij ook haar stem. Uit het verslag van haar dochter Clara : "De laatste dagen werd er dag en nacht bij haar gewaakt. Op 6 juli werd de hulp ingeroepen van een zuster uit de illegaliteit. Tegen middernacht klonk het eerste luchtalarm. Met drommen vlogen de geallieerden over. Het geheel was dan ook erg luguber; te moeten waken bij een ondergedoken oude dame die daar lag te sterven op een zolderkamertje van een bouwvallig huis aan de Waal, terwijl het gedreun van de ronkende motoren van de overvliegende bommenwerpers uren doorging".  Zij overleed op 7 juli 1944. Juist in die week vonden aanslagen op Duitsers plaats en deden veel NSB'ers huiszoekingen. Zij werd begraven onder de vloer van het onderduikadres, waarschijnlijk Lage Markt 45.  Na de bevrijding werd ze herbegraven op de joodse begraafplaats in Nijmegen. Clara verhuisde naar Oss. Ook de gezinnen van Hans en Max hebben de oorlog overleefd.
























Dorpsstraat, links: huis met poortje, 1933.



Salomon Manassen, Rijksweg Noord 25


Salomon Manassen (Valburg, 22 juli 1884 – Dorohucza, 30 november 1943) was een zoon van slager Emmanuel Alexander Manassen (Valburg, 21 september 1848 – Elst, 3 mei 1913) die in  1882 in  Uitgeest gehuwd was met Roosje van Tijn (Uitgeest, 1 augustus 1859 – Elst, 17 januari 1942). Hij had een oudere broer Eugenius Rudolph en twee zussen. Henriette (Valburg, 3 augustus 1886 – Bergen, 4 juli 1960) huwde in 1915 in Elst met Jacob Drukker (Zaandam, 22 juli 1887 – Amsterdam, 23 april 1973). Sientje (Valburg, 24 mei 1890  - Amsterdam  12 juli 1942) bleef ongehuwd. Salomon woonde met zijn moeder (weduwe sinds 1913) in een fraai ruim pand aan de Rijksweg Noord 25 (1955: 29) tegenover het Aamsche Pad, thans Mr. Thorbeckestraat. Het pand werd van 1903 tot 1916 bewoond door bakker B. van de Tang en van 1916 tot 1918 door bakker A. F. Bucksteeg (1884 – 1957). Moeder en haar ongetrouwde zoon betrokken het pand in 1919. Ze zou overlijden voordat haar zoons, schoondochter en twee kleindochters door de Duitsers zouden worden vermoord. Salomon was slager en werkte in de ‘’Betuwsche Vleeschhouwerij’’ van zijn vader die eerst in de Smidsstraat en van 1904 tot 1919 gevestigd was in het monumentale pand naast het gemeentehuis en daarna bij hem thuis aan de Rijksweg Noord.


Op 10 april 1943 werden Salomon, zijn broer Eugenius en diens vrouw Rachel door de Duitsers getransporteerd naar Kamp Vught en op 8 mei 1943 naar Kamp Westerbork.  Vandaar werden zij op 11 mei 1943 op transport gesteld naar vernietigingskamp Sobibor in Polen vanwaar de beide mannen naar kamp Dorohucza werden gestuurd, het beruchte werkkamp voor turfstekers in de Poolse provincie Lublin ten oosten van het dorp Dorohucza. Het kamp lag ten zuidwesten van kamp Sobibor waar veel arbeiders voor Dorohucza werden geselecteerd. Het kamp bestond uit drie ongeveer even grote barakken die in een U-vorm rond de appelplaats waren gebouwd. Deze barakken kwamen uit het vernietigingskamp Treblinka. Het voor de gevangenen bedoelde terrein was omgeven met prikkeldraad. Buiten de omheining stond een barak voor de SS. Links en rechts daarvan stonden barakken voor andere bewakers. In een van die gebouwen was ook de keuken gevestigd. Er was één wachttoren en een permanent bemand machinegeweer. De levensomstandigheden in kamp Dorohucza waren erbarmelijk. De gemiddelde levensverwachting was dan ook slechts enkele weken. Tweemaal daags kregen de gevangenen een zwarte vloeistof die koffie werd genoemd. Drinkwater kregen zij niet. Verder was er dunne soep van zuurkool en transparant hondenvlees. Men kon zich wassen in de beek. Salomon overleed er op 30 november 1943 op 59-jarige leeftijd. Zijn woning werd bij het Duitse offensief tegen Elst in de eerste week van oktober 1944 zwaar beschadigd en moest later worden afgebroken. Een deel van de nieuw aangelegde Mozartstraat loopt over zijn terrein en op het resterende deel is in 1955 een fraaie woning gebouwd voor deurwaarder A. van Dijk, na 1970 tandarts P. Suy.















Rijksweg Noord, circa 1925. Het eerste huis rechts was de veldwachterswoning, in het tweede was de rijwielreparatiezaak van K. Jonker gevestigd. Daarnaast woonde slager S. Manassen.



Familie Manassen, Huize De Bles, Rijksweg Noord 55















Eugenius Rudolph Manassen (Elst, 9 juni 1883 – Dorohusk, 30 november 1943) was de oudste zoon van slager Emmanuel Alexander Manassen (Valburg, 21 september 1848 – Elst, 3 mei 1913) die in 1882 in Uitgeest gehuwd was met Roosje van Tijn (Uitgeest, 1 augustus 1859 – Elst, 17 januari 1942). Genius was koopman/veehandelaar en woonde sinds 1917 in ‘’Huize De Bles’’, Rijksweg Noord 55 (1955: 61). Door de langwerpige witte aftekening in het midden van het gebouw leek het inderdaad op de bles van een paard: een langwerpige witte aftekening over de neusring van een paardenhoofd die loopt tot de neusgaten. Genius huwde in 1921 in Hoek van Holland Rachel Gosschalk (Hoek van Holland, 25 mei 1892 – Sobibor, 14 mei 1943). Het echtpaar kreeg twee dochters: Roosje (genoemd naar oma) (Elst, 24 maart 1922 – Auschwitz, 28 februari 1943) en Estella (Elst, 7 oktober 1923 – Auschwitz, 5 februari 1943).


Op 10 april 1943 werden Eugenius Manassen, zijn vrouw Rachel en broer Salomon vervoerd naar Kamp Vught en op 8 mei 1943 naar Kamp Westerbork. Vandaar vertrokken zij op 11 mei 1943 naar vernietigingskamp Sobibor in Polen vanwaar de beide mannen naar Kamp Dorohucza worden gestuurd. Daar werden de twee broers op 30 november 1943 vermoord. Eugenius was 60 jaar oud. Zijn vrouw Rachel was al op 50-jarige leeftijd op 14 mei 1943 in Sobibor vermoord. Beide dochters waren in februari 1943 vermoord in Kamp Auschwitz.  Roosje had nog geprobeerd in leven te blijven door te gaan werken als leerling-verpleegster in de Joodse psychiatrische inrichting ‘’Het Apeldoornsche Bosch’’. Die was van 1909 tot 1943 gevestigd aan de Zutphensestraat in Apeldoorn. Zij dacht hier beschermd te zijn tegen deportatie. Het aantal patiënten steeg in 1943 tot 1181 en het aantal medewerkers tot 330. Woensdag 20 januari 1943 verscheen de Ordedienst van Kamp Westerbork op het terrein, naar later bleek een dag te vroeg. Op het station van Apeldoorn stond een goederentrein met veertig wagons. De helft van het personeel vluchtte die nacht en dook onder. In de nacht van donderdag 21 op vrijdag 22 januari 1943 werden alle patiënten, soms naakt, verward of in dwangbuis, met vrachtwagens naar de gereedstaande goederentrein gebracht. Verantwoordelijk daarvoor waren eenheden van de Waffen-SS en de Ordnungspolizei onder leiding van SS-Haupsturmführer Ferdinand Hugo Aus der Fünten (1909-1989), hoofd van het Centraal Bureau voor Joodse emigratie,  met hulp van Albert Konrad Gemmeker, SS-commandant van kamp Westerbork. De trein vertrok om 07.00 uur en bracht bijna 1200 patiënten en 50 personeelsleden naar het grote concentratiekamp Auschwitz rondom de Poolse stad Oświęcim waar de patiënten onmiddellijk werden vermoord. Het in Apeldoorn achtergebleven personeel, onder wie Roosje, werd met ruim honderd Joodse Apeldoorners in een trein naar Kamp Westerbork gebracht. Roosje trouwde al op 5 februari 1943 in dat kamp met verpleger Bernardus Goslinski (Groningen, 8 maart 1922 – Auschwitz, 30 april 1943). Die had zich tot het christendom bekeerd, maar ook dat mocht niet baten. Beiden werden naar Auschwitz vervoerd en daar vermoord. Zus Estella was al op de huwelijksdag van haar zuster op 19-jarige leeftijd in Auschwitz vergast omdat ze een Jodin was.

 

Felix Abraham Bachrach (Elst, 2 januari 1891 – Auschwitz, 19 november 1943) was een zoon van manufacturier Jacob Bachrach (Eibergen, 1 augustus 1843 – Arnhem, 7 oktober 1937) die zich in 1868 in Elst had gevestigd. Hij huwde Johanna Schlicher (Keulen, mei 1854 – Elst, 18 mei 1921). Het echtpaar kreeg vijf kinderen: Helena Duijfken (Lena, Elst 18 april 1887), Sara Regina (Sophie, Elst, 17 oktober 1889), Maximiliaan (Elst, 1890), die op jonge leeftijd in Valkenburg is overleden; Felix Abraham en (Emile) David Jacob (Elst, 29 maart 1900 – Haarlem, 29 april 1980). Drie kinderen, de twee dochters en Felix.  werden door de Duitsers vermoord. Jacob woonde en werkte op verschillende adressen aan de Rijksweg Noord in Elst (O-B), onder andere in het oude postkantoor. Felix A. werd ook koopman-manufacturier. Hij trouwde op 9 augustus 1923 in Dordrecht (foto) met Helena Cohen (Oud-Beijerland, 26 juli 1897 – Auschwitz, 19 november 1943). Het echtpaar kreeg twee kinderen die al op jeugdige leeftijd werden vermoord: Jacob Nico (Arnhem, 10 augustus 1925 – Auschwitz, 31 maart 1944) en Isabella Johanna (6 februari 1927 – Auschwitz, 19 november 1943). Sinds 1929 woonde het gezin met vader op het adres Dorpsstraat 7 (1955: 9) te Elst (Over-Betuwe) naast de in 1930 geopende nieuw gebouwde manufacturen- en kledingwinkel die in 1944 door oorlogsgeweld zwaar werd beschadigd (foto).

David Abraham Drielsma (18 september 1903 - Mauthausen 6 juli 1942) was een zoon van deurwaarder Abraham Hessel Drielsma (1873-1923) en Esther Drielsma - Eltel (Alkmaar, 16 september 1874 – Nijmegen, 7 juli 1944). Het gezin woonde sinds circa 1925 aan de Dorpsstraat 36 in Elst (huis met het poortje, eerste verdieping, sinds 1955 nr. 20). David of Davy had twee oudere broers en een zuster. Hans (of Henri) Abraham (Elst, 16 januari 1901 – Heemstede, 10 juni 1982), professor dr. mr. in belastingrecht, woonde in Nijmegen en was in 1935 gehuwd met Jeanette Cohen (Coevorden, 12 januari 1907 - Heemstede, 8 december 1996) en Maximiliaan Abraham (Elst, 31 maart 1902 – Den Haag, 16 mei 1985) die op 15 december 1936 gehuwd was met Betsie Henriette Hes (Groningen, 2 mei 1910 – Den Haag, 27 maart 1988). Clara Esther (Elst, 16 februari 1910 – Oss, 5 januari 2005) werd onderwijzeres in Nijmegen. David A. kreeg al snel problemen met de Duitsers. Hij moest zijn landbouwgrond in Elst aan de Duitsers verkopen. Van 2 mei 1942 tot 12 juni 1942 zat hij gevangen in Kamp Amersfoort. Vandaar is hij getransporteerd via concentratiekamp Sachsenhausen bij Berlijn naar concentratiekamp Mauthausen (Oostenrijk), waar hij op 38-jarige leeftijd op 6 juli 1942 is vermoord, omdat hij Jood was.

Deel deze pagina